Normaal twee paar vleugels, de delen van de mond bedoeld om te doorboren en te zuigen, vormen samen een tuit, welke normaal onder het lichaam gehouden wordt. Meestal een incomplete metamorfose, met eitjes en fases van verpopping.
Volwassen dieren, 5mm lang; roodachtig bruin van kleur, worden paars na het voeden. Goed ontwikkelde voelsprieten en prominente, eenvoudige ogen. Poten zijn voorzien van klauwen waardoor klimmen over ruwe oppervlakken mogelijk wordt.










